blog
Nieuws #145
02/12/2019

Voor De Nederlandse Boekengids schreef ik over Drie vrouwen van Lisa Taddeo en, in het verlengde daarvan, over hoe vrouwen liefhebben, over Gentlemen Prefer Blondes van Anita Loos, De wetten van Connie Palmen en I Love Dick van Chris Kraus.

Lees het hier



Nieuws #144
27/11/2019

Vanaf de vluchtstrook: rij(les)verhalen is een bundel met autobiografische verhalen over rijden, en niet rijden, en bijna rijden. Ik schreef over dat laatste.

Verder met bijdragen van Stella Bergsma, Wanda Bommer, Sander Donkers, Jessica Durlacher, Renske de Greef, Laura van der Haar, Maarten ’t Hart, Thomas Heerma van Voss, Bertram Koeleman, Olaf Koens, Rutger Lemm, Tessa de Loo, Nicolien Mizee, Els Quaegebeur, Aafke Romeijn, Kasper van Royen, Roderik Six, Thomas Verbogt en Sylvia Witteman. 

Hier lees je meer, en kun je ook een exemplaar kopen (voor iemand die ook (niet) rijdt). 

Een kort, bewerkt, fragment uit mijn verhaal, Bijrijder:

Ik kan me herinneren dat hij voor de deur van ons huis stond geparkeerd, onze auto, een mintgroene Audi 80. Ik herinner me hoe de auto er van de binnenkant uitzag. Ik herinner me de accessoires die bij de auto hoorden, hoe fascinerend ik die vond: de zeemleren lap, de gele wegenatlas, de gevarendriehoek in de kofferbak.
Wat ik me niet kan herinneren is dat we daadwerkelijk in de auto reden. Ik herinner me ons fietsend, lopend. Ik herinner me de treinen, de trams. Bussen naar familieleden. Ik herinner me de schoolfeesten waarbij alle kinderen met de auto werden gebracht en gehaald, terwijl mijn moeder me met de fiets ophaalde.
Ik herinner me de keer dat ik, later, toen ik oud genoeg was om concerten te bezoeken maar jong genoeg om met de laatste trein thuis te moeten komen, met een vriendin in de Melkweg was. We waren met de fiets naar het station gegaan, met de trein naar Amsterdam, met de tram naar het Leidseplein. Na het concert belde de vriendin haar vader, met de openbare telefoon in het café: of hij ons wilde komen halen. Van een onvoorstelbare luxe vond ik dat. Van een ongemakkelijke en bijna obscene luxe.



Nieuws #143
27/11/2019

Voor de Filmkrant maakte ik het afgelopen jaar de reeks Ladygazing, waarin ik recente vrouwenrollen in een bredere (al dan niet filmhistorische) context plaatste. Dus schreef ik over criminele vrouwen, over de heldinnen uit kostuumdrama's, over het romcomstereotype van de ambitieuze maar stijve carrièrevrouw, over de ongenaakbare schone, over de tragische kunstenaar en over het slachtoffer. 

Lees hier alle zes Ladygazings terug



Nieuws #142
13/11/2019

Voor het themanummer Het geslachtelijke onbehagen van De Gids schreef ik het essay Rollenspel. 

Als kind wilde ik schrijver worden. Of prinses. Of anders kamermeisje in het Krasnapolsky. Wat maakt het prinses-zijn zo aantrekkelijk voor jonge meisjes? De jurk, de aandacht. Het vooruitzicht het stralende middelpunt te zijn, type Assepoester in de Disneyversie. Het beroep van kamermeisje daarentegen is juist dienstbaar. Het is iets wat je alleen doet, iets wat je onzichtbaar maakt.

In het stukje Amsterdam waar we woonden, driehoog op de Oude Hoogstraat, waren het begin jaren tachtig niet de vrijgezellenfeestjes en rolkoffertoeristen die voor overlast zorgden, maar junks, dealers en daklozen. Buitenspelen deed ik bij uitzondering. Mijn wereld was klein en ik maakte hem nog kleiner. Ik klom in de kast. Ik richtte hoekjes in. Ik bouwde hutten voor knuffels en barbies en, later, hutten voor mezelf, midden in de woonkamer. Ik kroop naar het uiterste puntje van mijn slaapzak, de allerkleinste hut.

Maar ik trad ook op. Ik zong, maakte liedjes. Studeerde dansjes in waar complete verjaardagen voor moesten stilvallen. Op foto’s zie ik mezelf lachen, praten. Ben ik altijd aan het lachen, altijd aan het praten. Altijd aan het gebaren naar de mensen om me heen, contact aan het zoeken met wie er ook achter de camera staat. Hoe word je wie je bent? En waarom voelt het alsof de paradox van laten zien en verstoppen, de prinsessenjurk en de slaapzak, niet alleen iets zegt over wie ik als kind was, maar specifiek over wie ik als meisje was?

Lees hier verder



Nieuws #141
31/10/2019

Voor De Groene Amsterdammer schreef ik over filmschurken, en met name over het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke schurken. Naar aanleiding van recente films Joker, Maleficent 2 en Queen of Hearts.

In films gaat de aandacht van oudsher uit naar de mannelijke schurk – naar de maffiabaas, de antiheld, de bankovervaller, de vreemdganger. De morele worsteling van de man wordt uitgediept en gedramatiseerd, terwijl de binnenwereld van een dubieuze vrouw slechts in grove lijnen wordt geschetst. Mannelijke antiheld bij uitstek, Travis Bickle uit Martin Scorsese’s Taxi Driver, die zich afgewezen voelt door de maatschappij, radicaliseert en zich tot geweld keert, maar die nooit de sympathie van de kijker verliest, kent bijvoorbeeld geen vrouwelijke pendant met een soortgelijke culturele impact en iconische status. Denk aan een vrouwelijke schurk en je komt uit bij de femme fatale, het archetype uit de film noir, een genre dat geheel draait om morele kwesties en de verleiding van het slechte pad. Maar waar de mannelijke antiheld van de film noir twijfelt tussen goed en kwaad, daar is de femme fatale per definitie slecht. Zij ís de verleiding die hem het slechte pad op lokt. Ze is de sirene die hem in het onheil stort.

Voor de Filmkrant schreef ik over biopic Judy, zowel in mijn rubriek Ladygazing als in een recensie van de film.

Nina Simone, Amy Winehouse, Maria Callas, Whitney Houston, Nico: sinds een paar jaar worden we overspoeld met documentaires en biopics over iconische zangeressen die, behalve hun vak, maar één ding gemeen hebben: hun tragische levensloop en uiteindelijke ondergang, die de toon van deze films volledig bepalen. Muzikaal gezien hadden deze vrouwen niet méér van elkaar kunnen verschillen, maar privé werden al hun levens getekend door trauma, drugs, geheimen, tirannieke ouders en/of ongezonde liefdesrelaties en depressie en/of andere psychische problemen. In de verbeelding wordt het rauwe randje niet geschuwd. Heroïne, seksueel misbruik, eetstoornissen – alles komt in deze feelbadfilms voorbij. En aan bovenstaand rijtje kan vanaf deze maand Judy toegevoegd worden, over een korte periode aan het einde van het leven van musicalster Judy Garland. Is het een trend? En zo ja, waar komt die dan vandaan?

Lees hier mijn stuk in De Groene
Lees hier mijn Ladygazing over Judy in de Filmkrant
Lees hier mijn recensie van Judy in de Filmkrant
Lees hier eerdere stukken in de rubriek Ladygazing



Nieuws #140
31/10/2019

Afgelopen zomer en de zomer dáárvoor schreef ik een min of meer vrije tekst voor het programmaboekje van festival Down the Rabbit Hole, dat wordt gepubliceerd door Subbacultcha. Na een brief aan Nick Cave schreef ik deze zomer een lofrede op Grace Jones.

The mystery of Grace Jones

Cheekbones and a flattop. Heavy eyeshadow, blush like warpaint. Sunglasses that bounce back every question you might have for the woman behind them. But take the glasses off and the eyes still won’t give you an answer. This woman is all smirks and sneers. She’s all legs and angles. Miss Grace Jones owns everything she lays her eyes on, she turns everything she sets foot on into a stage. She turns complete control into a performance in itself. There must be a motor in there somewhere, and no button to switch it off. Still, she’s no machine. She’s a woman.

Did you ever see the commercial Grace Jones made for Citroën? We were halfway into the eighties when artist, collaborator and former lover Jean-Paul Goude transformed Jones into something that was part car and part animal. Jones, with headlights for eyes, opens a large electronic mouth and spits out the brand-new Citroën CX model that we are tempted into buying. Behind the wheel, it’s Jones again, now in her human form, part composed and part ferocious. (Did I mention that this commercial is called ‘La Beauté Sauvage’?) Here, in a valley somewhere where the earth is red and dry, Jones spins the car around. Clouds of dust follow behind, like a parachute catching wind, and I can’t help but think of Fred Astaire singing ‘Top Hat, White Tie and Tails’: ‘And I hope that you’ll excuse my dust when I step on the gas.’ What a contrast with the beautiful savage Jones: the black and white of the attire Astaire is both wearing and singing about, the black and white of the images themselves, the whiteness of his skin. His “excuse me”, where Jones, in a vision of reds and browns, would never apologize for anything, least of all her ferocity.

There’s this thing where we confuse “emotional” with “sentimental”. “Weepy”, even. There’s this thing where we view emotions as inherently female. There’s this thing where we say “emotional” but we actually mean “sensitive” or “vulnerable”, as if aggressiveness and violence, which we associate with men, aren’t highly emotional. Watching this funny little car commercial, you would not register Grace Jones as being emotional. Watching her scream at the camera, a glint of humor in her heavily made up eyes and in her purple lipstick grin, you fail to find the right words to describe her. She’s not precisely angry. She’s not savage, as the title of the commercial would have you think. Is she passionate? Yes, but I wouldn’t use a word that’s tainted by romance novels. Is she driven? Yes, but calling her that when she’s actually in a car would be a little too much on the nose. (Insert smiley face.) Is she sensitive? Sentimental? Stereotypically female? She is not. But she dares us to reexamine all of those words. If we can’t fit her into language, we’ll just have to make up some new words.

I keep putting the pieces of Grace Jones' persona together, finding clues in her stage performances, her modeling days, Studio 54 in the “decade of decadence”, the hot island of Jamaica, the domineering man that cast a shadow over her childhood. I find clues in her music, in which the beat is like a pulse; the lifeforce that keeps it going. I find clues in her movies, in which she, without fail, plays the part of the villain; a part that she, all laser eyes and aggression, so evidently enjoys sinking her teeth into. (How many men have confessed to me that they are thoroughly afraid of her?) I find clues in that perfect little documentary by Sophie Fiennes, called Bloodlight and Bami, in which we see her dancing till dawn in a New York club, not so much having a good time but rather in a trance. The beat, a pulse. I find clues in that famous clip in which we see her slapping a TV host, apparently for no reason at all. ‘He turned his back to me!’ she laments in Bloodlight and Bami. And yes, how could he?

And yet there is vulnerability in Grace Jones. There is something soft and scared behind those sunglasses, the laser eyes. It’s the girl she used to be, back in Jamaica, that they called Beverly. If Jones is the sum of her parts, those parts do not consist of a machine and an animal, male and female, black and white; they consist of a protector and something that needs protection. We might not get to see that girl she used to be, the Beverly part of Miss Grace Jones, but she’s in there. She’s that motor that drives her. The pulse, the heartbeat.

Miss Grace Jones is off in her Citroën CX. She eats herself up and closes those headlight eyes. She blows a kiss to the camera, dust swirling around her. Cheekbones and a flattop. Make-up like warpaint. A silhouette so recognizable she doesn’t even need an introduction. She doesn’t need an excuse for her dust. She steps on the gas.

Bekijk hier het complete programmaboekje

- - - - - -

Dear Nick Cave,

I guess it started out around the time I was checking out CD’s at the local library, copying them to cassette tapes at home. And by “it”, mister Cave, I mean our little romance, my decades-long affair with your silhouette. I know I checked out your CD’s as well, I’m sure of it, though I don’t have the tapes to prove it. I’m sure it was your voice on my Walkman, brimming with anger, coming down on me like thunder while I rode my bike around the neighborhood delivering newspapers, one letterbox at a time.

You know, pictures were hard to come by then. They were rare and therefore valued more highly. Your looming figure, preaching not with words but with a finger stuck in the air. Your entangled black hair done up like a murder of crows. You in the shadows, four letters painted on your bare chest, spelling out H-E-L-L.

Mister Cave, your silhouette in black and white was on my bedroom wall. In fact, it was right above my bed. Skinny, arched back, the mess of your black hair. I still hear the muttering of guitars and drums, increasing in volume like wild horses emerging from the distance. I still hear those first words you uttered as a Bad Seed: ‘I stepped into an avalanche / It covered up my soul / When I am not this hunchback that you see / I sleep beneath the golden hill’. Yes, you were that hunchback, drawing your rage from your shoulders, always questioning the innocence and sanity of those listening. But most of all questioning your own.

Yes, I saw you, hunchbacked on stage, in a venue with assigned seats. I was seated in the back. I didn’t dare get up and defy authority, like the rest of the audience did. You were at the very front of the stage, stretching your arms, your Red Right Hand. Maybe you stretched them towards me. The stage lights projected your shadow, not once but twice, making you larger than life. You know what? I did get up.

And then there was her silhouette. I carried your novel around school, reading and rereading the part about Heaven and the part about Hell, but most of all reading the part about Cosey Mo. I looked for her in other girls, I drew her silhouette in pretty dresses. I even tried to become her, writing her name down on my skin. But of course the ink never lasted.

Picture this, mister Cave: the same bedroom where you hung from the wall in black and white, me on my balcony, longing for a storm. And when the wind finally pulls my hair, it’s you again, lending your voice to the soundtrack of the storm. Your voice is softer now, full of regret instead of anger. Your murky water and shallow graves have turned into candles burning on the window sill. Your guilty saints and repenting sinners are being muffled with tender words of forgiveness.

Yes, mister Cave, I remember the last time I listened to one of your songs over and over again like it was the only song left in the world. It was a sad one, a THE END type of song to close an ever sadder movie. You thanked me. Thanked me. You said you’d love me till the end of the world. If that is true – cue Warren Ellis’s sad violin – then I guess the world is coming to an end soon.

But it was a pleasure knowing you.

Love,
Basje

Bekijk hier het complete programmaboekje



Nieuws #139
14/09/2019

Voor De Gids (editie september 2019, nu in de winkel) schreef ik het essay Ladycamp.

Over de betekenis die popcultuur kan hebben, over de taal die je met popcultuur kunt spreken, en de gemeenschap die daarmee ontstaat. Over hoe popcultuur een rol zou kunnen spelen in het feminisme. Over de manier waarop een uitvergroting van vrouwelijkheid altijd expliciet seksueel is, en hoe dit een gevolg is van de male gaze die we, omdat we allemaal met die blik kijken, beter de "male lens" kunnen noemen. Over "machocamp" en de neiging om Chuck Norris als "lekker fout" te bestempelen en, bijvoorbeeld, Barbra Streisand als simpelweg "fout". 

Over Beyoncé, riot grrrl, Jessica Fletcher, "dyke camp", de jas van Nancy Pelosi, The Love Witch, Lana Del Rey, Susan Sontag, en meer.

Met prachtige illustratie van Ruth van Beek.




Nieuws #138
08/09/2019



Mijn agenda de komende tijd:

13 september | De donkere kamer #41 | 20.00 | Pakhuis De Zwijger
Programma over fotografie, met beeldcolumn van mij over de pin-up.
Lees hier meer

17 september | Het nieuwe feminisme & literatuur | 20.00 | TivoliVredenburg
Programma i.s.m. De Groene Amsterdammer. Met verhaal van mij over Marlen Haushofers De wand, n.a.v. mijn bijdrage aan de bundel De nieuwe feministische leeslijst.
Lees hier meer

28 september | Front Row Festival | diverse locaties Amsterdam-Noord
Cultuurfestival van We Are Public waarin de maker centraal staat. Ik interview diverse schrijvers over de totstandkoming van een boek.
Lees hier meer

17 oktober | Lichaam en macht: De blik | 17.00 | Spui25
Serie van de Akademie van Kunsten over de reflectie op het lichaam ten tijde van #metoo. In deze editie staat de blik centraal. Met lezingen van mij en Melanie Bonajo.
Lees hier meer

22 oktober | Het geslachtelijke onbehagen | 19.15 | EYE
Programma i.h.k.v. het nieuwste nummer van De Gids, dat gender als thema heeft. Mijn verhaal over vrouw en film staat tijdens deze avond centraal, inclusief plaatjes en fragmenten. Met diverse andere sprekers.
Lees hier meer



Nieuws #137
29/08/2019



Voor De Groene Amsterdammer schreef ik over Cindy Sherman naar aanleiding van haar retrospectief in Londen en over Quentin Tarantino's nieuwe film Once Upon a Time... in Hollywood. 

Sherman zou op het idee van Untitled Film Stills zijn gekomen op een feestje. David Salle, een bevriende kunstenaar, had iets meegenomen om aan haar en Longo te laten zien: een verzameling erotische foto’s. De foto’s, waarop meisjes nogal onschuldig poseren in hun ondergoed, zijn niet erg opwindend en ook niet erg interessant. Wat Sherman vooral intrigeert, is het feit dat Salle en Longo over de foto’s praten zonder haar bij het gesprek te betrekken, terwijl dat gesprek in zekere zin over háár gaat, over de verbeelding en de seksualiteit van háár gender. Dat Untitled Film Stills over bekeken worden gaat, is evident. Maar de serie, en in zekere zin de rest van Shermans oeuvre, gaat net zo goed over kíjken. Over wie er kijkt, en over wie er mag kijken.

Lees hier het hele stuk over Cindy Sherman

‘You’re Rick fucking Dalton. Don’t you forget it’, zegt Cliff Booth. Dalton reageert er met een schietgebaar op. In zijn recensie voor The New Yorkerschrijft Anthony Lane over dat schietgebaar: ‘Dit is tenslotte Hollywood, waar vergetelheid een potentiële doodsoorzaak is.’ Maar dat gebaar staat voor nog iets anders, namelijk voor het feit dat de makkelijkste weg naar roem via geweld loopt. Zie de gewelddadige films waar Tarantino zelf beroemd mee werd. Zie het echte geweld waarmee echte moordenaars zo vaak de aandacht op zich proberen te vestigen.

Lees hier het hele stuk over Once Upon a Time... in Hollywood



Nieuws #136
27/08/2019



Voor DIG schreef ik een column, Het jaar dat de Titanic zonk. Lees hier het hele stuk.

2013, het jaar dat de Titanic zonk. In gedachten som ik het op, op de wrang-komische toon waarmee ik wildvreemden wel eens ongemakkelijk doe verstommen op huiskamerfeestjes.

In 2013 ging mijn vader dood.
In 2013 ging mijn kat dood.
In 2013 maakte mijn vriend het uit.
In 2013 werd ik ontslagen. (Oké, strikt genomen was dat in januari 2014.)
En dan de odd one out: in 2013, op de valreep van het jaar, werd ik verliefd zoals ik nooit eerder verliefd was geweest.

Het verdriet maakte mijn hoofd helder, crisp als een koele winterochtend. De verliefdheid deed mijn lijf tintelen, verhoogde de gevoeligheid van mijn zintuigen. De rouw maakte iedere beleving intens. ‘Niet onder een tram komen!’ riepen we nerveus naar elkaar in die eerste weken. Iedere minuut deed ertoe, alles klopte met elkaar.
Is besef een superkracht?



Oudere berichten